Geplaatst op 1 Reactie

Over Leven

Licht sijpelt tussen de gordijnen door die ik, liggend op de grond en met nauwelijks nog kracht in mijn lichaam, niet verder open krijg dan een kiertje. Ik heb het koud, ijskoud zelfs sinds ik uit de douche stapte en viel, op de grond terecht kwam en niet meer op kon staan. Dat was gisteren in de ochtend, om 8:46. Dat weet ik zo zeker omdat ik vanaf de grond mijn nachtkastje kon zien naast mijn bed, en de wijzers gaven precies aan hoe laat het was.

En daar lag ik dan, gisteren, op de grond. Ik merkte meteen dat er iets mis was met mijn linkerbeen, en mijn linkerarm, die geen kracht meer hadden. Nog steeds niet. En door de val heb ik ook mijn rechterpols bezeerd, zodat het gruwelijk veel pijn doet als ik hem probeer te gebruiken. Daarom bleef ik eerst ook liggen toen ik viel: het deed te veel zeer om iets te doen, om naar de woonkamer te kruipen om de telefoon te proberen te pakken, of… ja dat andere ding.

Vorige week gaf ik toe aan mijn oudste zoon. Ik nam zo’n stomme alarmknop, omdat hij dat zo graag wilde. Hij had het ook meteen geregeld: misschien had hij het stiekem al voorbereid voordat hij mijn toestemming had gekregen. Daar moet ik nog een keer een hartig woordje met hem over spreken. Maar goed, hij doet ook zoveel voor me, dus ik gaf maar toe aan zijn voortdurende gedram. Soms moet je een nederlaag incasseren, om te laten merken dat je het waardeert, de inspanning van de ander. Het alarmsysteem is geïnstalleerd nu, en er is een alarmknop aan een goedkoop koordje die ik om mijn nek kan hangen, zodat ik altijd om hulp kan vragen als er iets gebeurt. Zoals vallen als je uit de douche stapt. Alleen hangt dat stomme ding nog in de woonkamer, aan de kast. Dat ik een alarmknop accepteer, betekent niet dat ik er de hele tijd mee ga rondsjouwen! Ik heb het even geprobeerd, de eerste dag, maar dat ding zat steeds in de weg. Ik heb er door geknoeid met mijn koffie en ik liet een sigaret vallen. Niet brandend, gelukkig, anders had ik misschien het huis in de fik gestoken. Zo zie je maar weer, dingen die zogenaamd voor je veiligheid zijn, kunnen juist ook gevaar opleveren.

Ik lig en ik kijk naar de deur van de slaapkamer. Gisteren al wist ik dat het maximaal één dag zou duren, het liggen op de grond in mijn blote kont. Op woensdag namelijk komt mijn fysio. Een lieve jongen, en dat hij homo is, maakt me helemaal niks uit. Dat vind ik juist heel leuk, kunnen we samen over knappe mannen praten. Hij is er om tien uur, elke woensdag, en dan helpt hij ervoor zorgen dat mijn oude lijf nog een beetje in beweging kan blijven. En nu is het woensdag zeven uur. Nog maar drie uur bibberen van de kou dus.

Aan sigaretten denken, dat had ik niet moeten doen. Sigaretten. Ze liggen op tafel, een open pakje, met de aansteker er naast. En een slof in de kast natuurlijk. Gauloise blauw, andere soorten vind ik smerig, en ik rook ze al meer dan zestig jaar, vanaf het moment dat ik op vakantie ging in Frankrijk en daar mijn eerste vriendje (een Griek, het leven kan raar lopen) leerde kennen tijdens de druivenpluk. Hij rookte Gauloise, en ik dus ook. Ze liggen te ver: een slaapkamer uit, kruipend, terwijl alles, mijn hele lijf en hoofd stervens pijn doen, de gang door, de woonkamer in, naar de tafel. En dan kan ik er nog niet bij want de tafel is hoog.

Toen ik wakker werd vanochtend, had ik dorst, zo vreselijk veel dorst dat ik dacht dat mijn tong vergroeide met mijn verhemelte. Ik heb me omgedraaid en ben terug gekropen naar de badkamer, stukje bij beetje. Het washandje was nog nat en gelukkig had ik mijn handdoek op de grond later vallen! Het tweedehands water deed me goed. Nooit gedacht hoe blij een mens kan zijn met een paar druppels.

Ik hoest, omdat het kriebelt en dan hoest ik nog eens omdat het niet los komt. Normaal gesproken drink ik nu mijn tweede koffie en rook ik er een sigaret bij. De rook verdooft mijn longen zodat het hoesten stopt, zodat ik dan, gek genoeg, juist meer lucht krijg. Vandaag niet, deze ochtend niet. De kamer is te ver, de keuken ook, ik lig en heb pijn en kan niets.

Soms worden mensen pas na een paar dagen of zelfs maanden gevonden. Je ziet het op het nieuws, of je leest erover in de krant. Mensen die in huis vallen of gewoon sterven omdat het tijd is, en die dan maanden liggen, langzaam verdrogen en een mummie worden of beschimmelen en wegrotten. Of ze worden opgegeten door hun hond of kat. Maar dat zal mij niet gebeuren, want de fysio komt woensdag, vandaag dus en die redt me wel.

De tijd maakt kleine stapjes op de klok, knipper, knipper van de secondes, en af en toe verdwijnen of verschijnen streepjes die de tijd wat verder helpen, een minuutje tegelijk. Hij is altijd op tijd, Hans, mijn fysio, die lieve jongen. Bijna, bijna is het tien uur, en dan belt hij aan en dan doe ik niet open, dan belt hij nogmaals want misschien zit ik op het toilet. Hij is geduldig, Hans. En dan maakt hij zich zorgen en breekt hij in, of hij belt de politie of hij doet wat anders, maar dan is het liggen en wachten en pijn hebben in ieder geval voorbij.

Ik schrik. Poepen. Ik moet poepen. Ik kijk om me heen, weet niet waar ik naar zoek. Wat moet ik doen? Ik moet poepen, en als ik moet, moet het. Gisteren heb ik niet gepoept. Waarom niet? Omdat ik een groot deel van de dag bewusteloos was? Hoe werkt dat met poepen? Als je slaapt, hoef je niet natuurlijk.

Vechten ertegen lukt niet, dus ik kijk om me heen of ik een plek kan vinden waar ik het kan laten gaan, ik zoek iets om het mee op te vangen en ik zie het, een tijdschrift dat naast mijn bed is gevallen, er onder is geschoven een paar dagen geleden. ik kruip er naar toe, beetje bij beetje en probeer het te pakken maar ik ga te langzaam en alles doet zeer en het komt er gewoon uit, uit mijn stomme poepgat, loopt langs mijn billen en benen en in mijn vagina, vieze, natte plakkerige poep en ik voel me een baby, of nog erger, een stom varken dat in zijn eigen poep rondwroet. Ik voel de viezigheid zitten, voel het verder sijpelen, het vermengd zich met de plas die ook maar gelijk mijn lichaam heeft verlaten, alsof het allemaal nog niet erg genoeg was.

Even lig ik stil. Dan denk ik na. Hans is er zo, mijn lieve Hans, en die vindt mij. Ik wil niet dat hij mij zo ziet, dat ik bloot ben is al erg genoeg, maar ik wil niet zo hulpeloos zijn, zo kapot dat ik niet eens mezelf schoon kan houden. Als ze me zo vinden, brengen ze me vast naar een verzorgingstehuis en dat wil ik juist niet, ik wil mijn vrijheid houden, mijn eigen huis, in mijn eigen tijd dingen doen die ik wil doen.

Ik moet iets doen. Weer verken ik de kamer: wat kan ik gebruiken om de poep weg te vegen? Het tijdschrift ligt te ver weg en die gladde blaadjes nemen natuurlijk niks op. Er ligt geen kleding op de grond, alles ligt in de wasmand die op het kasje staat en waar ik dus niet bij kan. Dan kijk ik naar de badkamer. De vochtige handdoek. Die moet ik hebben.

De tijd dringt. Ik heb maar een half uur voordat er wordt, voordat Hans er is. Mijn hand doet zo veel zeer dat ik alleen maar wil huilen en schreeuwen maar ik wil mijn kracht daar niet aan verspillen. Dichterbij en dichterbij, en dan ben ik er, ik pak de handdoek waar ik net nog wat water uit heb gedronken. Ik pak hem beet met mijn pijnlijke hand en breng hem dan naar achteren, naar mijn bips.

Het doet te veel zeer, mijn arm en pols en hand en het lukt niet. Ik kan de handdoek niet met genoeg kracht over mijn bil en vagina halen om de poep echt weg te krijgen en alles blijft vies, de poep streept zelfs over steeds grotere delen van mijn lichaam, van anus naar navel en over mijn benen want de poep zit aan de handdoek en komt ongewild overal terecht.

Het is 09:59 uur. De deurbel gaat. Hans is vroeg. Of misschien is mijn klok niet juist. Even twijfel ik of ik wel wil dat Hans me zo ziet, nu ik zo vies, zo kwetsbaar, zo kapot ben. Misschien is het maar beter dat ik dood ga, zodat ik er zelf tenminste niet bij ben als mijn lichaam gevonden wordt. Dat bespaart me die schande. Maar dan pep ik mezelf op.

Ik probeer me op te richten, wil Hans roepen maar mijn armen willen niet en mijn stem blijft weg. Ik adem de woorden uit, roep zo zacht ‘Help’ en ‘Hans’ dat mijn eigen oren het niet eens kunnen horen. Hans belt weer aan, roept. ‘Hallo? Mevrouw de Vries!’ Eén keer, twee keer. Hij bonst op de deur. Dan gaat mijn telefoon in de woonkamer. Hans belt, één keer, de telefoon blijft over gaan, stopt dan, en dan probeert Hans het nog een keer. Hij geeft niet zo maar op, want zo is mijn Hans.

Ik hoor voetstappen naderen aan de andere kant van het raam, probeer omhoog te komen om naar de gordijnen te kruipen, het lukt een klein beetje maar ik kan niet bij het doek, bij de zware gordijnen die zo hoog hangen. Ze blijven dicht, op het kleine kiertje na dat eventjes verduistert en nog eventjes, als Hans er langs loopt en het licht tegen houdt. Weer probeer ik te roepen, maar ik lijk alleen maar te kunnen grommen. Ben ik echt na één nacht en dag niet meer dan een dier, zonder taal en zonder woorden?

‘Mevrouw de Vrie-hies!’ roept hij weer en hij tikt op het raam met zijn ring met dat ene diamantje erin, die hij van zijn verloofde heeft gekregen een paar maanden geleden. Ik worstel om omhoog te komen maar het lukt niet omdat mijn arm zo veel pijn doet. Ik probeer te schreeuwen en doe dat ook van binnen maar uit mijn mond komt alleen maar zielig gepiep. Hij loopt weer weg, naar de voordeur. Ik hoor het klepje van de brievenbus. Nu weet ik wat ik moet doen.

Mezelf oprichten lukt niet, maar ik kan me wel een beetje voortduwen, langzaam, over de laminaatvloer. Beetje bij beetje moet ik mezelf naar de slaapkamerdeur duwen, want daar, als ik mijn arm uit steek, als ik net ver genoeg ben, dan kan ik zwaaien naar de gang en als hij dan naar binnen kijkt, door de brievenbus, waar mijn oudste gelukkig nog steeds geen tochtborstels heeft gemonteerd, ook al heb ik ze allang gekocht en liggen ze klaar in het schuurtje, dan kijkt Hans, mijn lieve fysio, door de brievenbus en dan ziet hij mijn hand zwaaien, weet hij dat ik in de problemen ben.

Ik schuif over de grond, duw me vooruit met mijn tenen en trek me naar voren met mijn vingers. Ik maak poepsporen op de grond en heel mijn lichaam raakt besmeurd, maar ik heb hoop, hoop dat deze bezoeking snel voorbij is. Hans belt, hoor ik, met het kantoor.

’Ze doet niet open, nee. Alweer niet.’

Hij is even stil. Ik was me een keer vergeten af te melden toen ik naar het ziekenhuis ging voor een afspraak, dat was niet zo charmant van me. Stond hij hier voor niks.

‘Ja dat denk ik ook,’ zegt Hans tegen zijn telefoon. ‘Is goed,’ zegt hij dan. ‘Dan kan ik gelijk mijn administratie bijwerken,’ zegt hij en hij lacht.

Ik lig hier binnen en krijg het nog kouder. Met alle kracht die er nog in mijn lichaam zit, kruip ik naar voren. Hans gaat weg. Hans gaat weg en ik denk niet dat ik het overleef als ik hier nog drie dagen en nachten moet liggen in mijn eigen vuil. Ik ben er bijna, bijna bij de deuropening, iets verder nog, iets verder en ik steek mijn hand uit, hij moet het zien als hij door de brievenbus kijkt, hij moet me zien, mijn hand, hij mag niet zomaar weg gaan, hij mag niet…

Hij bonkt op het raam van de slaapkamer en roept nog een keer ‘Hallo? Mevrouw de Vries?’ Dan loopt hij naar het raam van de woonkamer en klopt er op, roept nog een keer. Kom nu naar de gang en kijk door de brievenbus, lieve Hans! Kom en kijk en zie mij, zie mijn hand die om hulp vraagt, kom.

Zijn voetstappen verwijderen zich. Hans is weg. Binnen in de woonkamer hoor ik de telefoon nog een keer overgaan en dan, als hij op het antwoordapparaat gaat, hoor ik Hans. ‘Voortaan wel even zeggen als je een afspraak hebt, hè lieverd? Nou, goed, ik zie je volgende week wel. En dan zal ik je eens flink knijpen als straf dat je me voor niks hebt laten komen. Nou doei!’

Hij hangt op. Hans is weg en ik hoor hem ook niet meer. Ik weet niet wat ik moet doen. Voor het eerst voel ik tranen opkomen, maar dan merk ik dat ik geen vocht meer in mijn lichaam heb om druppels te kunnen maken. Ik zak weg.

Als ik wakker wordt, is het alweer donker aan het worden. Blijkbaar werkt tijd anders, en slapen ook. Ik droom, denk ik, want ik zie mijn oom in de deuropening staan en dat kan niet want hij is al heel lang dood. Is hij een geest? Of ben ik overleden en zie ik nu andere doden? Ik weet het niet. Als ik mijn hand probeer te bewegen schiet er een pijnscheut door mijn lichaam en vermoed ik dat ik nog niet dood ben. Dood zijn zou wel extra naar zijn als je niet verlost werd van de pijn. Ik zucht diep, en dat doet zeer. Dorst. Ik heb verschrikkelijke dorst. Als ik nu kan kiezen tussen een glas water en een sigaret, zou ik voor het water kiezen, zo erg is mijn dorst. Wat moet ik doen. Waar is water? Ik heb het washandje al leeg gezogen en de handdoek is besmeurd met poep. Waar is water?

Het huis is stil, ik denk na. Dan hoor ik het. De douche lekt. De douche lekt! Al maanden klaag ik bij mijn oudste dat hij hem moet repareren, maar hij heeft nooit tijd. En daar ben ik nu blij om.

Ik val flauw tussen de deur van de slaapkamer en de badkamer, van de pijn misschien of de kou. Als ik wakker wordt, realiseer ik me dat de volgende keer dat ik weg raak, ik misschien niet meer wakker word. Ik sleur mezelf naar voren, naar de badkamer, en pak daar het washandje waar ik gisteren nog water uit sabbelde. Ik kijk omhoog, naar de douchekop waar tergend traag druppels uit vallen, en leg het er precies onder. Drup. Drup. Drup.

Misschien ben ik in slaap gevallen, misschien ben ik weer bewusteloos geraakt. Kan een mens meer dan 15 uur per dag slapen? Als je ziek bent misschien. Ben ik ziek, of ben ik gewond? Kan je van gewond zijn slaperig worden? Probeert mijn lichaam te herstellen door in slaap te vallen, alles in stilstand te zetten om geen energie te verspillen? Ik weet het niet. Ik weet wel dat mijn pols steeds dikker wordt en dat elke beweging me meer kracht kost. Drup Drup Drup.

Het washandje is goed vochtig. Ik knijp het water er uit met mijn pijnlijke hand, in mijn mond. De druppels die langs mijn mond op de tegels vallen, lik ik er af alsof ik een hondje ben. Het is niet veel, maar mijn mond is tenminste niet meer zo uitgedroogd. Drup, drup, drup. Blijf ik nu hier, om op de volgende slok water te wachten? Kruip ik naar de woonkamer? Misschien kan ik de tafel omduwen en valt de telefoon er af. Dan denk ik aan het massief eikenhouten ding en weet dat dat niet gaat lukken. Wacht, misschien aan het snoer trekken.

De vloer van de badkamer is te koud om er te blijven liggen in ieder geval: ik kruip er weer uit, laat het washandje achter onder de drup om nog meer water voor me te vangen.

Mijn oudste zoon komt van het weekend pas, en hij haalt altijd boodschappen voor me waar hij vrijdag over belt. Als hij me niet aan de telefoon krijgt, zal hij zich wel zorgen maken. Misschien komt hij dan langs. Maar nu is het woensdag en het is koud en ik heb alleen maar een beetje water en ik ben vies. Hoe lang kan je leven zonder eten en met zo weinig water? Een paar weken, of een paar dagen? En wanneer raak je onderkoeld? Tot wanneer houdt mijn lichaam het vol? Hou lang houdt een lichaam van een vrouw van 78 het vol, op de grond, ongekleed, zonder eten en drinken?

Donker. Drup drup drup. Blijkbaar was ik weer weg, en dat is niet goed. De tijd gaat wel sneller, en dat is goed. Vrijdag komt dichterbij, redding komt dichterbij. Alles doet zeer. De cijfers op de klok dansen, zodat ik niet precies weet hoe laat het is. Ik hoor voetstappen boven, van de bovenbuurman die ik nooit spreek, die me nooit wilde groeten op straat sinds het moment dat ik er iets van zei dat hij de poep van zijn hond niet opruimde. Die zak mist me vast niet. Of, misschien, misschien kan ik me laten horen. Ik kijk om me heen, zie de verwarmingsbuizen die naar het plafond gaan. Bovenlangs naar de gang en weer naar beneden de kast met de cv ketel in. Hoort de bovenbuurman het als ik op de buizen tik? Drup drup drup hoor ik. Ik ga tikken, tik, tik tik. Ik kruip naar de muur, zie mijn schoen liggen, een stevige hak. De muur, de buis met water, een beetje warm omdat ik twee dagen geleden de verwarming op 8 had gezet. Of 18? 80? Er zat een acht in, dat weet ik nog. waarom weet ik niet meer welk getal? Ik kruip er zo dicht mogelijk tegenaan, om een beetje van de warmte te voelen.

Ik bonk op de verwarmingsbuis. En nog eens. drup drup, tik tik. De hond blaft. Ik tik nog eens, de hond blaft weer.

Het is donker, ik zie rood op de klok maar niet cijfers.

Donker. cijfers? ik tik, alles doet zeer. Blaf blaf.

Licht. Ik ben er weer. Ik ben bang. Ik kruip naar de badkamer. Ga ik achteruit? Ik weet niet meer wat mijn hand moet doen. mijn been. Wat doe ik? ik ga vooruit. beetje beetje, drup drup. Badkamer. Het washandje is nat. Mijn goede hand heeft geen kracht meer, kan niet knijpen. Ik lik het washandje, zuig er aan. drup drup ernaast. Ik lig met mijn gezicht op het vochtige washandje. Koud en stinkt. Hij ligt hier nu al een paar dagen natuurlijk, geen wonder dat hij een beetje begint te ruiken. Maar ik stink vast nog meer.

Blaft de hond? Waarom blaft hij niet? Oh ja, ik tik niet op de verwarming…

Licht uit de gang en door de kier. Misschien kijk ik er al een tijdje naar. Zijn er echt een paar dagen voorbij? Of misschien een week. Ben ik al dood en blijft mijn geest bij mijn lichaam tot het lichaam begraven is? Of in het huis? Misschien wordt ik een geest. Ik kijk naar de gang. Kan ik er heen? kloppen op d deur met schoe. als aanbelt

drupdrupdrup. koudkoud, dorst. ik lig in de gang. weet niet hoe. schoen in hand

bonk bonk bonk. Stemmen, harde stemmen. Schreeuw. VRIES hoor ik, en dat ben ik, Vries, dé Vries. Bonk op deur.

Glas breekt, gerinkel, ik kijk. Enge mannen ENGE MANNEN! het is donker, enge mannen. Ik probeer te schreeuwen, maar ben stil. ze pakken me beet en

donker. het is warm. mijn mond doet geen zeer meer. ik zie lichtjes. waar ben ik. drup drup drup. ik zie hem. mama zegt hij. het is goed.

 

Geplaatst op Geef een reactie

Bladel

Mijn privé-telefoon gaat. Een onbekend nummer, tien uur in de avond op zondag. Het kan werk zijn, ik noem mijn voornaam en achternaam.

Mijn moeder is aan de telefoon. Wij, haar kinderen, hebben haar net naar een verzorgingstehuis gebracht. Ze heeft meerdere ernstige lichamelijke klachten en ook last van beginnende dementie.

 

‘Bladel,’ begint ze. ‘Daar had je het toch vandaag over?’

‘Wat?’ zeg ik.

‘Bee, el, a, dee, ee, el,’ zegt ze.

‘Bladel?’

‘Je vertelde vandaag over Bladel,’ zegt ze geduldig, ‘En over wat er aan de hand was.’

‘Het Brabantse dorp?’ vraag ik.

‘Precies,’ zegt ze, alsof ze nu verwacht dat ik weet waar het over gaat.

‘Nee, daar heb ik het niet met je over gehad vandaag,’ zeg ik, ‘Wat is er dan in Bladel?’

 

Ik zoek het meteen op in de computer. ‘Bladel en nieuws.’ ‘De nieuwe burgemeester moet humor hebben’ is het belangrijkste nieuws.

‘Niks aan de hand in Bladel,’ zeg ik tegen haar.

‘Hè?!’ zegt ze. ‘Ik weet zeker dat ik het er met je over gehad heb vandaag.’

‘Nee,’ zeg ik, ‘we hebben elkaar niet gesproken. Was er iemand op bezoek? Of aan de telefoon gehad?’

‘Ik heb jou gesproken,’ zegt ze. Dan is ze even stil.

‘Weet je mam,’ zeg ik, ‘ik ga deze week foto’s van de kinderen printen en naar je toe sturen.’

‘Ja graag,’ zegt ze gretig. ‘Ik heb je dochter en je jongste nog helemaal niet op het kastje staan! Dat kan natuurlijk niet, die horen er ook bij.’

 

We groeten elkaar en hangen op. Ik ga die foto’s snel uitprinten zodat ze elke dag kan zien wie haar kleinkinderen zijn. Misschien onthoud ze hun gezichten nog eventjes.

Geplaatst op Geef een reactie

Schijt

‘Waarom heb je een plastic handschoen in je jaszak?’ vraag ik aan de bejaarde dame waar ik elke week drie uur ben om zinloos schoon te maken (zinloos omdat ze zelf haar huis beter schoonhoudt dan ik ooit zou kunnen. Ik ben alleen nuttig als ik de ramen lap of stof van de kasten af veeg). Ik raap de handschoen op die is gevallen en stop hem terug in de jas aan de kapstok.

‘Ik hou niet van poep aan mijn handen,’ zegt ze, en ze laat zich met een zucht zakken in haar stoel. Ik ga zitten op de bank, pak mijn kopje met voorgeroerde koffie. Ze ziet dat ik haar niet begrijp.

‘Er was een man die zijn hond liet schijten op de stoep, precies voor mijn voordeur. En dan ruimde hij het niet op! De schoft. Elke dag hè. Dus op een dag pak ik een krukje, en ga beneden zitten achter de deur. En maar wachten en wachten. Toen kwam hij langs, de oude zak, met zijn dikke hond. Is niet goed hoor, dat een hond zo dik wordt, dan geeft hij hem vast verkeerd eten. Maar goed, hij stopt, en dat beest draait een enorme drol precies voor mijn voordeur. Die zak kijkt ernaar, en trekt dan zijn hond gewoon mee! Aan een riem die de keel afknijpt, je weet wel.’

Ik knik.

‘Ik doe dus de deur open. ‘Hé ouwe zak!’ roep ik. ‘Ruim die schijt van je hond op!’

Hij kijkt me aan en roept, zó ordinair, hij roept: ‘Bemoei je met je eigen zaken, kutwijf!’

Ik ontplof bijna! Dus ik stap de stoep op en pak, hoppakee, die dampende drol, loop naar hem toe en wrijf het zó in zijn gezicht en in zijn haar.’

Ik lach, zij lacht ook, smakelijk.

‘Maar ja, toen zat mijn hand vol met poep. Ik heb hem een half uur staan wassen. En mijn ring heb ik uit moeten koken.’ Ze kijkt vol liefde naar de ring die ze van haar vriend heeft gekregen, vlak voordat hij overleed aan ALS, nadat ze hem jaren thuis had verzorgd.

‘En wat deed die man?’ vroeg ik.

‘Hij schrok zich rot en liep zo snel weg als hij kon. Maar hij had er niet van geleerd! Hij heeft nog een keer zijn hond op de stoep laten schijten. Weer precies voor mijn voordeur!’

‘Wat heb je toen gedaan?’

‘Jaha,’ lacht ze, ‘ik weet waar hij woont en waar zijn rode blikken nepautootje altijd geparkeerd staat. Dus ik die drol opgeraapt, ben naar zijn rode Cantaatje gelopen, en toen heb ik heel netjes de voorruit van dat stomme koekblik ingesmeerd, en de sleutelgaten volgepropt.’

‘Vieze handen gekregen?’ vraag ik. Ze glimlacht.

‘Ik had zo’n handschoentje bij me. Die heb ik daarna uitgedaan en netjes bij hem in de brievenbus gegooid. Heb hem nooit meer gezien, met zijn stomme hond.’

‘En nu heb je nog steeds altijd een handschoen bij je,’ zeg ik.

‘Je weet maar nooit,’ zegt ze, ‘je weet maar nooit.’

Geplaatst op Geef een reactie

Playboy

‘Piet, Piet!’

Mijn vriendin bonkt op de deur van mijn kamertje in het bejaardentehuis, waar ik pas een paar dagen woon. Ik schrik, had haar totáál nog niet verwacht. De deur zit op slot, gelukkig. Snel doe ik mijn computer uit en dan dicht. Ik haal diep adem en sta op.

‘Piehiet!’

Als ik de deur open doe, valt ze half de kamer in, bos bloemen in haar hand. Natuurlijk, ze neemt een bosje bloemen mee om mijn nieuwe ‘huis’ op te fleuren. Ik haat bloemen. Ik pak de bloemen uit haar hand en doe de deur weer dicht.

‘Waar, wat… Wie is er gevallen Piet?’

‘Wat?‘ zeg ik, maar ik weet al wat er aan de hand is. Ik had tóch de koptelefoon in de doos moeten zoeken.

‘Ik hoorde geschreeuw,’ zegt ze ongerust. Dan kijkt ze naar de muren van mijn kamer. ‘Oh jee, misschien is een van je buren gevallen!’

Ik zucht.

‘Zullen we even bij de buren aankloppen?’

‘Is niet nodig,’ zeg ik.

‘Ja maar, misschien is er iemand gevallen! Ik hoorde net vréselijk geschreeuw! Echt iemand in doodsnood.’

Ze wil de kamer weer verlaten, de gang op in het verzorgingstehuis waar ik sinds vorige week woon en waar ik nog niemand ken. Ik pak haar bij haar pols.

‘Piet!’ zegt ze, ‘Iemand heeft misschien onze hulp nodig!’ Ze trekt haar pols los uit mijn hand. Ik ben natuurlijk niet meer zo sterk als toen ik 70 was. Ik zet een stap zodat ze de deur niet uit kan.

‘Wacht even schat,’ zeg ik tegen haar. Weer zucht ik, maar dan nog dieper. Ze kijkt me aan, begrijpt me niet.

‘Er is niemand in de problemen. Wat je hoorde, eh, tsja.’ Ik kijk naar de computer alsof ze dan begrijpt wat ik bedoel.

‘Wat hoorde ik dan?’ vraag ze aan me.

‘Porno,’ zeg ik. ‘Ik was porno aan het kijken. Ik had mijn koptelefoon op moeten doen, maar…’ ik wijs naar de dichte verhuisdozen die nog tegen de muur staan.

‘Wat?’ zegt ze, ‘kijk jij nog porno? Maar je…’ ze kijkt naar mijn kruis.

‘Nee,’ zeg ik, ‘hij doet het nog steeds niet. Maar soms kijk ik het gewoon. Gewoon. Mannen doen dat weleens.’

Ze kijkt verbaasd van me weg. Toen we een ‘relatie’ kregen, was al snel duidelijk dat we niet meer gingen doen dan handje vasthouden en een kusje geven. Ik krijg hem toch niet meer omhoog en zij wilde niet het risico lopen dat ik van opwinding dood zou gaan in bed. Prima. Als je de negentig bent gepasseerd hoeft dat niet meer zo nodig. En de laatste twintig jaar kan je ineens overal op internet mooie porno vinden! Als ik nú puber was geweest, was ik mijn slaapkamer niet meer uitgekomen.

‘Maar, maar,’ zegt ze.

Ik doe de deur open.

‘Zullen we een kopje koffie gaan drinken in het restaurant?’ zeg ik. Dan herpakt ze zich.

‘Nee,’ zegt ze ferm, ‘komt niks van in.’

Oh jee, vindt ze het echt vervelend van de porno? Is ze boos dat ik naar blote vrouwen kijk?

‘Neenee,’ zegt ze nogmaals, ‘ik zet eerst de bloemen in een vaas. Jij laat ze altijd doodgaan.’

Geplaatst op Geef een reactie

Swingen

Ik kijk om me heen in de zaal van het ‘Centrum voor Actieve Ouderen’ die me als ‘danszaal’ was omschreven. Er schuifelen een paar witharige dames rond, één ervan met een rollator.

‘Wat een grote ruimte,’ zeg ik.

De oude heer die me ontvangen heeft, knikt.

‘Vroeger was het hier elke vrijdag en zaterdagavond helemaal vol met dansende mensen! En ook de andere dagen was er altijd wel iets te doen. Bingo op donderdag, klaverjassen op dinsdag. We moesten mensen afwijzen, zo druk was het. Maar zo veel mensen komen hier al jaren niet meer.’

‘Er zijn toch steeds meer ouderen in Nederland?’

Hij knikt. ‘Dat wel. Maar vroeger bleef iedereen in zijn eigen huisje wonen, of in ieder geval zijn eigen buurt, konden ze op de fiets of met de tram naar ons toekomen. Nu trekken ze allemaal naar Purmerend of Almere. Veel te ver weg om naar een dansavond in de stad te gaan. We hebben nog geprobeerd om de minimumleeftijd naar de 55 te doen, maar dat hielp niet. Mensen van 55 voelen zich te jong om met mensen van onze leeftijd te dansen.’

‘En hebben jullie aan andere groepen gedacht? De eerste generaties Surinamers en Turken en Marokkanen zijn al aardig op leeftijd aan het raken. Die wonen nog in de stad. Misschien hebben zij zin om te dansen!’

De man kijkt weg.

‘We hebben het geprobeerd,’ zegt hij zacht. ‘We hebben aan dat soort mensen gevraagd of ze ook langs wilden komen op de dansavonden. Ze kwamen inderdaad. Maar het werkte niet.’

‘Hoe bedoelt u?’ vraag ik.

Hij zucht, kijkt naar de deur.

‘Die mannen kwamen hier niet naartoe om te dansen. Ze kwamen om vrouwen te versieren! En dat lukte ze nog ook!’

Ik kijk om me heen, zie de gerimpelde dames in hun gebloemde jurken en met hun solide schoenen.

Hij kijkt me weer aan.

‘En dat was nog niet het ergste,’ zegt hij. ‘We kwamen er achter dat ze getrouwd waren! Dat ze gewoon een vrouw hadden in Marokko of Turkije of weet ik waar! En dan hier bij ons gewoon vrouwen gaan versieren? Dat werkte dus niet. We zijn er mee opgehouden.’

‘Oh,’ zeg ik, ‘jammer.’

Hij knikt. ‘Dat is inderdaad jammer.’

Geplaatst op Geef een reactie

Gesmeerd

Annie heeft nog een man. De meeste huizen waar ik schoonmaak zijn van oudere dames die al tientallen jaren weduwe zijn, maar zij woont nog steeds samen met haar Piet. In de drie uur dat ik in hun huis ben, komt hij niet uit zijn stoel in de woonkamer, waar hij rustig een krantje leest of met zijn ogen dicht zit.

Zij achtervolgt me overal in huis en vertelt me hoe ik alles moet doen, welk schoonmaakmiddel ik moet gebruiken voor de ramen, en hoe ik stof moet afnemen bovenop de kast. Ik doe dit werk al jaren, maar in discussie gaan met iemand die iets al zestig jaar op een bepaalde manier doet, werkt niet. En misschien is haar manier wel de beste manier.

De koffie staat klaar, met een koekje. We praten in de woonkamer, de Amsterdamse dame en ik, en ik vertel dat mijn vriendin zes maanden zwanger is.

‘Ik hoop maar dat de bevalling meevalt,’ zeg ik, ‘ik moet er niet aan denken dat mijn vriendin 36 uur pijn heeft, of dat er een keizersnede moet komen of zo’n zuigding.’

‘Mijn bevalling was een makkie,’ zegt ze.

Dan kijkt ze even naar Piet, en grijnst.

‘Piet hield me namelijk héél goed doorgesmeerd toen ik zwanger was. De kleine floepte er zo uit!’

‘Ghegheghe,’ lacht Piet met zijn dichte ogen.

En als ik door krijg wat ze precies bedoelt, lach ik ook, maar wel een beetje ongemakkelijk.

Drie maanden later verloopt onze bevalling ook heel gesmeerd.

Geplaatst op Geef een reactie

Getik

‘Zou je ook hier onder het bed willen stofzuigen?,’ vraagt de oude dame, ‘En als je de kasten even aan de kant schuift… de vorige thuiszorg was een jong meisje, ik durfde haar niet zoiets zwaars te laten doen.’
Iets te enthousiast verplaats ik het nachtkastje om eronder te kunnen zuigen. Een herenhorloge valt eraf, op de vloerbedekking waar de poten van de kast diepe holtes hebben gemaakt.
‘Wacht maar,’ zegt ze en ze raapt het horloge op voordat ik er aan heb kunnen komen. Dan bukt ze nog een keer en pakt de versleten herensloffen die onder het bed staan.

Ze houdt de sloffen en het horloge tegen de borst gedrukt totdat ik alles goed heb gezogen en de meubels weer met hun pootjes in de holtes laat zakken. Dan zet ze de sloffen weer terug, precies op dezelfde plek. Het horloge windt ze op en legt ze op het nachtkastje naast het tweepersoons bed dat netjes is opgemaakt voor twee personen, met lakens en wollen dekens.
‘Hij is er nu al 17 jaar niet meer,’ zegt ze, ‘maar ik wind zijn horloge nog elke dag op. Als ik wakker word in de nacht, hoor ik het tikken. Dan is hij er nog een beetje.’
Ik glimlach.
‘Gek oud vrouwtje ben ik, hè,’ zegt ze dan verlegen, maar ik schud mijn hoofd.

Geplaatst op Geef een reactie

Schrale Anus

‘Weet je nog, mijn oude buurman?’ zegt de dame waar ik vroeger schoonmaakt.

Ik knik.

‘Hij is 98 geworden.’

‘Dat is oud,’ zeg ik. ‘Heeft zijn zoon nog veel nare dingen met hem uitgehaald?’

‘Je bedoelt de zoon die altijd te weinig brood kocht voor zijn vader, zodat hij op zaterdag niks meer te eten had en we hem moesten bijvoeren? Die het pinpasje van zijn vader had gejat en van zijn duur verdiende pensioen lekker twee keer per jaar op vakantie ging? De zoon die samen met zijn vriendin het goede wc-papier jatte om er van dat goedkope grijze wc-papier voor terug te hangen? Die zoon?’

‘Ja,’ zeg ik, ‘die zoon.’

‘Ha!’ zegt ze, ‘Die heeft lekker een hersenbloeding gehad vlak voordat zijn vader overleed.’

‘Is hij dood?’ vraag ik.

‘Nee, hij zit kwijlend achter het raam thuis. En nu moet zijn monsterlijke wijf hem verzorgen. Want als ze hem in een tehuis stopt… dan moeten ze de erfenis van zijn vader afstaan.’

‘Ik hoop dat ze zijn achterwerk alleen maar veegt met dat schrale wc-papier dat ze voor zijn vader kochten,’ zeg ik, onbarmhartiger dan ik mezelf ken.

Ze knikt. ‘Moge zijn anus tot aan zijn laatste drol rood en schraal zijn.’

Geplaatst op Geef een reactie

Plas

‘Het verkeer in Amsterdam is gevaarlijk, ja,’ zegt de dame van vijftig terwijl we samen kijken naar de ambulance en de politiewagens die de weg blokkeren voor de flat waar ze woont.

‘Ik ben overreden door een vrachtwagen toen ik twaalf was,’ zegt ze dan. ‘Voorwielen én achterwielen.’

‘Het zadel van mijn fiets was helemaal bij mij naar binnen geduwd door de vrachtwagen, tussen mijn benen zeg maar. Ze hebben alles weg moeten halen toen, alles was kapot gegaan. Ik kon daardoor geen seks hebben of kinderen krijgen, vertelden ze me. Daarom heb ik ook nooit zin gekregen in een vriendje. Ik moest vroeger zelfs altijd een luier dragen, dan wil je aan je lijf geen polonaise. Wel jammer hoor.’

Dan klaart haar gezicht op. ‘Weet je wat zo fijn was? Ik kon twintig jaar mijn plas totaal niet ophouden, maar toen kwam er eindelijk een arts die het aandurfde om me te opereren! Ik lek nu alleen nog maar af en toe een drupje. Dat is zo fijn!’

Ze draait zich om en loopt naar binnen.

‘Thee?’ vraagt ze.

Geplaatst op Geef een reactie

Lek

‘Is de grote baas er vandaag?’ vraag ik aan de directiesecretaresse.

Ze schudt haar hoofd. ‘Wim is er niet.’

Dan pauzeert ze even.

‘Zijn kraantje is lek. Vandaag laat hij er een nieuw rubbertje in zetten,’ zegt ze dan. ‘Poliklinisch hoor, morgen kan je hem weer bereiken.’

‘Bedankt,’ zeg ik en ik vraag me af of ik de directeur ooit nog kan zien zonder aan zijn lekkende kraantje te denken.

Geplaatst op Geef een reactie

Lul in de keuken

‘Een open keuken vind ik altijd een veilig idee,’ zeg ik, ‘dan zie je tenminste wat er gebeurt in de keuken.’

De oude man lacht schamper.

‘Ik werkte in een restaurant met een open keuken,’ zegt hij, ‘en de kok haalde gewoon zijn lul tevoorschijn als hij moest pissen, hing hem zo in de vuilnisbak onder de werkbank. Zagen de klanten toch niks van.’

Geplaatst op Geef een reactie

Hersencel

In de keuken van de gehandicapte vrouw waar ik thuiszorg doe, vul ik de emmer met heet water om te kunnen dweilen. Weer dringt de geur die in het huis hangt zich aan me op, en nu weet ik wat het is. Het is terpentine. Ik doe de kraan uit en loop naar de woonkamer, waar de schilder bezig is. Ik kijk naar de man van vijftig met het korte grijze haar en de witte overall. Bijna al het houtwerk heeft hij af, hij is nu met de laatste deur bezig. Ik draai zijn radio wat zachter.
‘Ruik ik nou terpentine?’
Hij knikt zonder op te kijken.
‘Ik dacht dat thinners niet meer gebruikt mochten worden,’ zeg ik. Hij stopt een tel met schilderen, knikt weer.
‘Is ook verboden,’ zegt hij, en hij verft verder.
‘Maar jij gebruikt het toch?’ Nu legt hij zijn kwast neer.
‘Alleen met deze verf krijg je deze resultaten,’ zegt hij, en hij streelt liefkozend de deurposten die hij gisteren heeft gedaan. Ze zien er inderdaad prachtig uit.
‘Is het dan niet… is het niet slecht voor je hoofd?’
Hij glimlacht een beetje.
‘Ja, dat wel. Ik werk er nu dertig jaar mee, en ik merk het wel. Ik vergeet steeds vaker de namen van mijn vrienden. Maar als ik met verf op waterbasis werk, wordt het gewoon echt niet zo mooi als dit! Hoe kan ik mijn klanten nou géén topkwaliteit bieden?’
‘Ik zou het vreselijk vinden als ik de namen van mijn vrienden niet meer wist,’ zeg ik. Hij knikt.
‘Dat is ook vreselijk,’ zegt hij. Hij pakt zijn kwast weer op, en doopt het diep in het blik met verf.

Geplaatst op Geef een reactie

Piet

Winter, een dag voor Sinterklaas.

De oude dame houdt de winkeldeur open voor het stelletje.
‘Kom maar binnen met je knecht,’ roept ze vrolijk tegen het blonde meisje dat als eerste naar binnen komt. Dan ziet ze de zwarte krullen en het donkere gezicht van het vriendje. Verschrikt slaat ze een hand voor haar mond. Het vriendje lacht hard.

Geplaatst op Geef een reactie

Wijs

Ik was in dienst bij de Koninklijke Marechaussee, vlak na de oorlog.  Mijn eerste klus was het bewaken van Paleis het Loo. Hele dagen stilstaan, in weer en wind. De commandant posteerde me de eerste dag bij de achterkant van het Paleis het Loo. Hij vertelde me dat ik de dagjesmensen naar de hoofdingang van het paleis, aan de voorkant, moest sturen. Drie dagen lang deed ik dat tot aller tevredenheid, maar aan het eind van de derde dag kwam mijn commandant zelf me ophalen, in een jeep. Ik vroeg wat er was natuurlijk, maar hij wilde niets zeggen. Hij zette een andere marechaussee op mijn post neer, nam me mee naar de kazerne en bracht me naar zijn leidinggevende, die achter zijn bureau op me zat te wachten.’
‘De koningin is zeer tevreden over ons,’ vertelde hij, ‘En zeker over jou.’
Ik had werkelijk geen idee waar hij het over had.

‘Ze voelt zich bijzonder veilig bij het idee dat de achterkant van haar paleis zó goed bewaakt wordt, dat zelfs zij naar de hoofdingang wordt gestuurd. Ze laat doorgeven dat je van haar een paar dagen vrij krijgt als beloning voor je waakzaamheid.’

Verward kijk ik van hem naar het schilderij van koningin Wilhelmina, dat achter zijn bureau hangt, en weer terug. Toen keek ik nog eens naar het schilderij, zag er ineens het oude vrouwtje in dat met haar schildersbenodigdheden, koffer met verf en ezel, uit het bos geschuifeld was, aan het eind van die ochtend. Ik had haar vriendelijk verzocht om naar de hoofdingang te lopen, helemaal om het paleis heen. Er speelde een vreemde glimlach om haar lippen toen ze deed wat ik haar opdroeg,  gehoorzaam sleepte ze ezel en koffer over het modderige pad naar de andere kant. De koningin… ik had Koningin Wilhelmina weggestuurd bij de achterdeur van haar eigen paleis!

Gelukkig was het een wijze vorstin.

Geplaatst op Geef een reactie

Boontjes

Ze zet haar leesbril op, pakt het papiertje voor de boodschappen, legt het op een boek op het dikke tafelkleed en pakt de zilveren pen. Ze schrijft. ALDI: 10 pakken met zes flesjes water, 1 pak wc papier en 1 rol vuilniszakken. Een dikke streep eronder. De AH lijst. Aardappels; 1 kilo, twee koteletjes; 100-120 gram per stuk, niet te groot anders krijgen ze het niet op. Groenten. Wat voor groenten gaan ze eten.
‘Wat wil je eten vanavond?’ vraagt ze aan hem. Hij kijkt op van zijn krant.
‘Hè?!’ Hij hoort niet zo goed.
‘Waar heb je trek in?’
Hij haalt zijn schouders op, pakt de loep weer goed beet en leest verder. Zij legt het briefje neer.
‘Heb je misschien trek in spinazie?’
Hij reageert niet.
‘Of wil je misschien spruiten? Is lekker bij de koteletjes. We hebben nog jus van de rollade.’
‘Maakt niet uit,’ zegt hij.
‘Spinazie of spruitjes Wim, wat wil je.’
‘Maakt me echt niet uit,’ zegt hij nogmaals.
‘Je kan toch wel een beslissing nemen…’
‘Maakt me niet uit!’
‘Waarom kies je nou niet gewoon? Dat is toch niet zo moeilijk? Wil je nou spruitjes of spinazie.’
‘Kan me niet bommen!’
‘Neem nou toch eens een beslissing! Wat wil je eten vanavond; spruitjes of spinazie? Héél simpel.’
‘Het kan me godverdomme niet schelen wat we eten!’
Hij gooit zijn loep op tafel, staat moeizaam op, loopt de kamer uit en slaat de deur achter zich dicht.

‘Nou nou,’ zegt ze. Dan denkt ze even na en schrijft op: sperziebonen; 150 gram.

Geplaatst op Geef een reactie

Brokken

De nieuwe deur klemt nog erger dan de oude. Ik wrik en trek, maar krijg er nauwelijks beweging in met die rot-reuma handen van me. Weer wordt er aangebeld.

‘Ik kom eraan’, roep ik door de dichte deur. Hopelijk hoort de beller het, één verdieping lager en ook nog achter een dichte voordeur. Rex staat kwispelend voor mijn voeten. Dat helpt óók niet, ik schuif hem aan de kant met mijn goede knie, geef geërgerd nog een ruk aan de deur. Eindelijk schiet hij open.

Rex blijft braaf bovenaan de trap staan. Dat doet hij dan wel weer goed. Weer wordt er aangebeld, dringend.

‘Jaja, ik ben er bijna,’ roep ik. Wat een ongeduld. Alsof iemand van mijn leeftijd nog een sprintje kan trekken. Ik loop naar beneden, stapje voor stapje. Als die zak van een makelaar de deuropener nou eens liet repareren was dit helemaal niet eens nodig. En de vloerbedekking op de trap mag hij ook wel vervangen, met al die bloedvlekken. Ik durf er niet eens op te gaan staan, alsof ze nog af kunnen geven.

Eindelijk ben ik beneden. Ik kijk door het raampje. Sinds de inbraak ben ik toch wat voorzichtiger geworden. Een oude man, een buitenlander, kijkt me aan. Grote snor. Hij heeft een trui onder zijn jasje. Raar met dit warme weer. Hij ziet er niet gevaarlijk uit, dus ik doe de deur open.

‘Dag mevrouw,’ zegt hij. Hij kijkt naar het huisnummer, alsof hij nu nog moet controleren of hij bij het juiste huis heeft aangebeld.

‘Dag mevrouw. Woont u hier?’ Niet zo snugger die man. Ik knik.

‘Met hond?’ Weer knik ik.

‘Uw hond heeft mijn zoon gebeten, laatst. Bij inbraak.’

Ik voel het bloed uit mijn gezicht weg trekken. Dit is de vader van die stomme inbreker! Die dacht dat Rex hem zo maar weer naar buiten zou laten gaan, met de stereo en de video-recorder, maar zo is Rex niet. Je mag altijd binnenkomen, maar als je weg wilt, wordt Rex gek, gaat blaffen, grommen. Als visite vertrekt, sluit ik Rex altijd in de bijkeuken op. Anders vliegt hij ze aan, die domme ouwe zak. Het bloed van de dief had overal gezeten, aan de opengebroken deur, in het halletje, op de trap. Gelukkig was politie zo aardig geweest om alles schoon te laten maken. Dat schoonmaakbedrijf had alleen de vlekken in het tapijt op de trap en in het halletje niet weg gekregen, waar de inbreker Rex van zich af had proberen te houden. Die domme inbreker. Zijn zoon.

‘Hij had hem dood moeten bijten,’ zegt de man. ‘Dood bijten. Mijn zoon. Zoon schande voor de familie.’

Je zou toch denken dat die man boos op mij is, of op mijn hond.

‘Hij jaren aan drugs, altijd stelen, politie komt heel vaak. Iedereen ziet het, hele straat. Ik zoon gestraft, uit huis gegooid.’ De vader heft mismoedig zijn handen.

‘Niets hielp.’

Ik weet niet wat ik moet zeggen. Wat vervelend voor u? Kan ik dat zeggen?

‘Gelukkig zoon nu vast.’ De man glimlacht, ik ook, voorzichtig. Zijn zoon had zelf de politie gebeld, toen hij klem was komen te zitten tussen de voordeur en bijtgrage Rex. Toen ik thuis was gekomen van de bingo hadden de buren in geuren en kleuren verteld wat ze hadden gehoord en gezien. De oude Turk kijkt langs me naar boven, ik kijk mee, zie Rex.

‘Is dat…?’ wijst hij. Ik knik. Rex ziet dat als een uitnodiging, en huppelt vrolijk naar beneden. De man doet onwillekeurig een stap naar achter. Ik zeg ‘Zit’ en Rex stopt naast me, gaat zitten, kijkt naar de man. De man kijkt hem met een mengeling van angst en nieuwsgierigheid aan. Dan glimlacht hij.

‘Hopelijk ik ruik niet als mijn zoon, anders hij weer honger.’ Hij lacht. Ik lach ook. De man blijft naar Rex kijken, steekt dan heel voorzichtig zijn hand uit, kijkt me vragend aan. Ik knik, pak Rex bij zijn halsband om de man meer op zijn gemak te laten zijn. Hij aait Rex voorzichtig, Rex waardeert het, kwispelt, likt even de hand van de oude Turk, die zijn hand wil terugtrekken maar zich beheerst en de hond laat likken.

‘Je had hem dood moeten bijten,’ zegt hij tegen Rex.

Hij veegt zijn hand af aan zijn broek, kijkt naar de grond. Dan zucht hij diep, kijkt naar het eind van de straat. Ik kijk mee, zie niets.

‘Daar naast groenteboer, om de hoek? Ja?’ Ik knik. ‘Dierenwinkel daar. Ik heb geregeld drie maanden eten. Voor hond. Brokken en vlees. Goede brokken, goed vlees, niet goedkoop spul. Ik betaal.’ De man wijst dan naar boven, de trap op, naar mijn nieuwe voordeur, naar mijn huisje, waar zijn zoon veel meer had gesloopt dan gestolen.

‘Voor overlast. Sorry.’ Ik geef die man maar een schouderklopje. Hij ondergaat het, knikt dan. Dan geeft hij me een stevige hand.

‘Drie maanden,’ zegt hij nogmaals. Dan draait hij zich om en loopt weg. Rechtop, met een stevige pas. Ik kijk hem na tot hij aan het eind van de straat is gekomen, en blijf daarna nog even kijken.