De nieuwe deur klemt nog erger dan de oude. Ik wrik en trek, maar krijg er nauwelijks beweging in met die rot-reuma handen van me. Weer wordt er aangebeld.

‘Ik kom eraan’, roep ik door de dichte deur. Hopelijk hoort de beller het, één verdieping lager en ook nog achter een dichte voordeur. Rex staat kwispelend voor mijn voeten. Dat helpt óók niet, ik schuif hem aan de kant met mijn goede knie, geef geërgerd nog een ruk aan de deur. Eindelijk schiet hij open.

Rex blijft braaf bovenaan de trap staan. Dat doet hij dan wel weer goed. Weer wordt er aangebeld, dringend.

‘Jaja, ik ben er bijna,’ roep ik. Wat een ongeduld. Alsof iemand van mijn leeftijd nog een sprintje kan trekken. Ik loop naar beneden, stapje voor stapje. Als die zak van een makelaar de deuropener nou eens liet repareren was dit helemaal niet eens nodig. En de vloerbedekking op de trap mag hij ook wel vervangen, met al die bloedvlekken. Ik durf er niet eens op te gaan staan, alsof ze nog af kunnen geven.

Eindelijk ben ik beneden. Ik kijk door het raampje. Sinds de inbraak ben ik toch wat voorzichtiger geworden. Een oude man, een buitenlander, kijkt me aan. Grote snor. Hij heeft een trui onder zijn jasje. Raar met dit warme weer. Hij ziet er niet gevaarlijk uit, dus ik doe de deur open.

‘Dag mevrouw,’ zegt hij. Hij kijkt naar het huisnummer, alsof hij nu nog moet controleren of hij bij het juiste huis heeft aangebeld.

‘Dag mevrouw. Woont u hier?’ Niet zo snugger die man. Ik knik.

‘Met hond?’ Weer knik ik.

‘Uw hond heeft mijn zoon gebeten, laatst. Bij inbraak.’

Ik voel het bloed uit mijn gezicht weg trekken. Dit is de vader van die stomme inbreker! Die dacht dat Rex hem zo maar weer naar buiten zou laten gaan, met de stereo en de video-recorder, maar zo is Rex niet. Je mag altijd binnenkomen, maar als je weg wilt, wordt Rex gek, gaat blaffen, grommen. Als visite vertrekt, sluit ik Rex altijd in de bijkeuken op. Anders vliegt hij ze aan, die domme ouwe zak. Het bloed van de dief had overal gezeten, aan de opengebroken deur, in het halletje, op de trap. Gelukkig was politie zo aardig geweest om alles schoon te laten maken. Dat schoonmaakbedrijf had alleen de vlekken in het tapijt op de trap en in het halletje niet weg gekregen, waar de inbreker Rex van zich af had proberen te houden. Die domme inbreker. Zijn zoon.

‘Hij had hem dood moeten bijten,’ zegt de man. ‘Dood bijten. Mijn zoon. Zoon schande voor de familie.’

Je zou toch denken dat die man boos op mij is, of op mijn hond.

‘Hij jaren aan drugs, altijd stelen, politie komt heel vaak. Iedereen ziet het, hele straat. Ik zoon gestraft, uit huis gegooid.’ De vader heft mismoedig zijn handen.

‘Niets hielp.’

Ik weet niet wat ik moet zeggen. Wat vervelend voor u? Kan ik dat zeggen?

‘Gelukkig zoon nu vast.’ De man glimlacht, ik ook, voorzichtig. Zijn zoon had zelf de politie gebeld, toen hij klem was komen te zitten tussen de voordeur en bijtgrage Rex. Toen ik thuis was gekomen van de bingo hadden de buren in geuren en kleuren verteld wat ze hadden gehoord en gezien. De oude Turk kijkt langs me naar boven, ik kijk mee, zie Rex.

‘Is dat…?’ wijst hij. Ik knik. Rex ziet dat als een uitnodiging, en huppelt vrolijk naar beneden. De man doet onwillekeurig een stap naar achter. Ik zeg ‘Zit’ en Rex stopt naast me, gaat zitten, kijkt naar de man. De man kijkt hem met een mengeling van angst en nieuwsgierigheid aan. Dan glimlacht hij.

‘Hopelijk ik ruik niet als mijn zoon, anders hij weer honger.’ Hij lacht. Ik lach ook. De man blijft naar Rex kijken, steekt dan heel voorzichtig zijn hand uit, kijkt me vragend aan. Ik knik, pak Rex bij zijn halsband om de man meer op zijn gemak te laten zijn. Hij aait Rex voorzichtig, Rex waardeert het, kwispelt, likt even de hand van de oude Turk, die zijn hand wil terugtrekken maar zich beheerst en de hond laat likken.

‘Je had hem dood moeten bijten,’ zegt hij tegen Rex.

Hij veegt zijn hand af aan zijn broek, kijkt naar de grond. Dan zucht hij diep, kijkt naar het eind van de straat. Ik kijk mee, zie niets.

‘Daar naast groenteboer, om de hoek? Ja?’ Ik knik. ‘Dierenwinkel daar. Ik heb geregeld drie maanden eten. Voor hond. Brokken en vlees. Goede brokken, goed vlees, niet goedkoop spul. Ik betaal.’ De man wijst dan naar boven, de trap op, naar mijn nieuwe voordeur, naar mijn huisje, waar zijn zoon veel meer had gesloopt dan gestolen.

‘Voor overlast. Sorry.’ Ik geef die man maar een schouderklopje. Hij ondergaat het, knikt dan. Dan geeft hij me een stevige hand.

‘Drie maanden,’ zegt hij nogmaals. Dan draait hij zich om en loopt weg. Rechtop, met een stevige pas. Ik kijk hem na tot hij aan het eind van de straat is gekomen, en blijf daarna nog even kijken.