Het meisje legt met enige moeite de dikke pizza op de lopende band, tilt een grote huismerk colafles erbij. Ze is er maar net sterk en groot genoeg voor. Ze klapt netjes het handvat van het mandje in voordat ze het op de andere mandjes zet. Dan kijkt ze naar haar moeder, die aan het bellen is.

‘Weet je wat hij zei? Weet je dat?’ zegt de moeder met een plat Amsterdams accent.

‘Hij zei dat als ze zich zo gedraagt, dat het dan aan de opvoeding moest liggen.’

De pizza komt bij de cassière aan. Ze groet het meisje vriendelijk, het meisje groet terug, draait zich dan weer naar haar moeder om voorzichtig aan haar mouw te trekken. Haar moeder kijkt even geïrriteerd, maar haalt dan een vijfje uit haar zak, belt verder. Het meisje pakt het geld aan en geeft het aan de cassière.

‘Dankjewel,’ zegt deze, en; ‘Alsjeblieft,’ als ze het wisselgeld geeft.

Het meisje pakt het aan en geeft het door aan haar moeder, die het zonder te kijken in haar zak stopt.

“Wil je een bonnetje?’ vraagt de cassière. Het meisje kijkt even naar haar moeder die al bellend richting de uitgang loopt.

‘Eh, ja,’ beslist ze en pakt het aan. Dan sjouwt ze zo snel als ze kan de zware fles en pizza achter haar moeder aan.

Vlak bij de uitgang stopt moeder de telefoon weg.

‘Wat heb je dat goed gedaan!’ zegt ze trots tegen haar dochter. Ze slaat een arm om haar schouders, drukt haar even stevig tegen zich aan en kust haar voorhoofd. Dan neemt ze de fles cola en de pizza over.
En het meisje huppelt de winkel uit.