‘Wilt u misschien een stempel?’ vraagt de jongen van de garderobe aan de zwart geklede dame met grijzend haar. Hij heeft de stempel al vast, kijkt naar haar pols.

‘Een stempel?’ vraagt ze. Ze klinkt verontwaardigd.

‘Dan kan u naar binnen en naar buiten wanneer u wilt,’ zegt hij.

‘Een stempel, op mijn arm?’ Haar stem wordt schril.

‘Eh, ja?’

‘Weet je wel wat ze in de Tweede Wereldoorlog deden? Toen zetten ze ook iets op de arm van mensen, zodat ze wisten dat het joden waren!’

Ze praat zo hard dat iedereen in de hal van de Kunstbende naar haar kijkt. De jongen krimpt ineen achter zijn balie.

‘In concentratiekampen was dat, wist je dat? Wist je dat ze dat deden in concentratiekampen?’

‘Hm ja dat wist ik,’ zegt hij met een heel klein stemmetje. ‘Het hoeft niet. Een stempel,’ fluistert hij, en hij verbergt het stempeltje in zijn hand.

De vrouw pakt bruusk haar tas van balie, een stapel flyers valt op de grond. Met grote stappen beent ze weg.

 

Ik kijk naar de jongen. Hij heeft nog steeds de stempel in zijn hand. Ik leg mijn jas op de balie, steek mijn arm uit.

‘Doe mij maar een stempel,’ zeg ik gul.

Met een trillende hand stempelt hij een blauw eendje op mijn arm.