Ik doe een stap naar achteren, kijk naar zijn naakte en bebloede lichaam. Ik had niet verwacht dat het zo makkelijk zou zijn. Ik dacht dat hij wakker zou worden, zou vechten, maar hij schokte alleen maar een paar keer met zijn vette lichaam en slaakte toen een diepe zucht. Daarna liet hij alles lopen, poep en pies. Misschien raakte ik hem precies in zijn hart met dat lelijke gouden mes. Het mes waar hij me twee weken geleden nog mee bedreigde.

Het is vreemd dat ik het nu pas doe, na al die jaren van vernederingen, na al die keren dat hij me sloeg, kneep, of aan mijn haar trok. Hij heeft me al zo vaak geneukt terwijl ik dat eigenlijk niet wilde, hij is al zo vaak vreemd gegaan. En hij had al vaker gezegd als hij een aantrekkelijke jonge vrouw zag: ‘die heb ik gehad’, of: ‘die kan ik krijgen als ik wil. Wedden?’. Waarom ik dan nu brak, waarom ik dan vandaag echt niet meer verder kon, waarom zijn minachtende blik juist vanavond me deed denken aan het gouden mes dat hij aan de muur had laten hangen om mij te zieken, om me te laten denken aan die keer dat ik hem huilend moest herinneren aan het kind dat we samen hebben, dat hij die toch niet zonder moeder kon laten opgroeien.

En nu is hij dood. Daar kan niemand meer iets aan doen. Mijn hoofd voelt voor het eerst in jaren leeg, rustig, ijzig kalm. Ik weet wel dat er enorme problemen aan komen, maar nu even maakt dat niet uit. Ik kijk naar het mes in mijn hand. Gek dat ik het nog niet heb losgelaten.

Dan gaat de deur achter me open, en ik draai me om. Twee grote sterke mannen staan daar, Ed en Johnny. Ed die me een paar weken geleden nog redde door een vaas om te gooien vlak voordat mijn man, zijn baas, me weer eens hard wilde aanpakken. De afleiding was genoeg om dat te voorkomen. En Johnny heeft thee voor me gehaald na die avond met het mes. Ik ben blij dat zij er zijn, ook al weet ik dat mijn nieuwe problemen nu beginnen.

Ed en Johnny kijken elkaar aan, en dan naar het lijk op het bed. Ed loopt op het bed af, Johnny naar mij. Ed voelt of mijn man nog een hartslag heeft, schudt zijn hoofd. Johnny kijkt mij aan.
‘Ik ga het makkelijker voor je maken,’ zegt Johnny.
‘Laat het mes vallen, dan sla ik je één keer hard in je gezicht.’
Ik laat van schrik het mes vallen.
‘Dan kan je zeggen dat je jezelf tegen hem moest verdedigen,’ zegt Ed. Ik haal diep adem, begin dan te hyperventileren. Toch knik ik.

Johnny slaat en ik val bijna om, voel de felle warmte van de klap in mijn gezicht. Toch lach ik, want ik weet dat ik zo eindelijk aan hem kan ontsnappen, aan die man die eerst mijn dromen in vervulling bracht en me daarna een nachtmerrie in sleepte.
Ed legt een hand op mijn schouder.
‘Maak je geen zorgen,’ zegt hij, ‘alles komt goed, Melania.’